Zomer 2008:  Dubbeltocht door Oost-Frankrijk
(week 2)

Twee gelijke schoenen
We blijven op deze geweldige plek op de Col de Lautaret twee nachten staan. Er is zoveel te genieten hierboven. Veel campers gebruiken deze plek alleen op doorreis. In het donker aankomen en met zonsopgang weer vertrekken. Kennelijk hebben die hun reisdoel ergens anders. Voor ons geldt nog steeds: de reis is het doel. Hoe lang we erover doen zien we wel en waar we uitkomen ook. Een dag ergens staan geeft ook weer de gelegenheid de camper even goed onder handen te nemen. Voor het uitzicht vanuit onze camper zie de foto rechts.

Maar dan gaan de wandelschoenen aan en trekken we de bergen in. Steil omhoog gaat het, eerst zonder pad omdat er geen te zien is, maar even later volgen we een pad. Steeds hoger gaat het, tot ongeveer 2500 mtr. Een wereld van alleen nog maar rotsen, sneeuw en ijs. Temidden van de rotspieken zetten we ons neer. Opvallend is ook de bloemenwereld. Hoewel er hierboven nog niet zoveel bloeit, valt het onderweg op. Na de natte weken begint de natuur steeds meer te ontwaken. Allerlei bergweiden zijn geweldig gekleurd door de vele soorten bloemen in allerlei kleuren. Alsof een schilder met een verfpalet is bezig geweest, zo mooi ontwaakt de natuur. Daarboven zie je alleen nog maar de ontluikende knoppen. Enkele gemsen spelen in de omgeving. Als ze ons zien blijven ze eerst staan en kiezen dan het gemsenpad. Na uren genoten te hebben wordt de terugweg aanvaard. Een gems schiet nog vlak voor ons van een helling. Ongelooflijk zoals die beesten van een steile helling rennen kunnen.

Vlak daarop gebeurt er iets geks. Uiteraard hebben we bergschoenen aan, die we al lang bezitten. Maar schoenen kunnen eens kapot gaan, toch?
Plotseling raakt de zool van de ene schoen van mijn vrouw aan de achterkant los. We improviseren. De veter door de groeven van de zool en vast zit die! Maar geloof me of niet, twee stappen verder gebeurt hetzelfde met de andere schoen! Knappe koppen, die zulke schoenen maken die op hetzelfde moment kapot gaan. Eerlijk gezegd moeten we er wel aan toevoegen dat beide schoenen even lang gebruikt zijn. Maar toch... Bovendien gaat weer even verder van de ene schoen ook de voorkant nog los. Dus weer improviseren. Uiteindelijk is ze er mee beneden gekomen.
Dat we behalve zeven gemsen ook een groot aantal bergmarmotten hebben bezig gezien spreekt voor zich. Heel idyllisch soms, zoals ze met elkaar spelen. Of die twee die ‘s morgens vroeg eerst elkaar begroeten door de snuitjes tegen elkaar te wrijven.
Wanneer de tweede avond daar op de Col valt verdwijnt de zon langzaam achter de bergen. De lucht kleurt steeds meer, enkele sterren worden zichtbaar en scherp tekenen zich de contouren van die bergruggen af. Hier word je alleen maar stil van. Elke keer weer opnieuw. Het duurt nog lang voor het helemaal donker is. En kouder. De kachel mag even aan.

Nieuwe ontmoeting
Van de Col gaat het naar de stad Briançon. Hoog boven de moderne stad torent het historische deel uit. De stad noemt zichzelf de hoogste stad van Europa. Een protserig aandoende kerk domineert de skyline van de stad. Muren en poorten geven het een stad aanzien. Binnengekomen kom je in een (smal) winkelstraatje waar in het midden een watergoot loopt met stromend water. In deze streek zijn weinig voorzieningen voor campers (geen Flot Bleu nog gezien, de verschillende bestanden die ik heb over camperplekken geven niets aan) zodat we even naar de eerstvolgende camping (richting Gap) gaan om de voorzieningen weer op peil te brengen.

Daarna zoeken we de weg naar de Col d'Izoard. Een kleine pas, temidden van de groten die we al ‘genomen' hebben.
Een predikant in Zwitserland met wie ik meereed over een pas vertelde mij dat je uit eerbied voor een pas er nooit zomaar overheen moest rijden, maar altijd even stil moest staan en genieten van het uitzicht. Je moest ‘hem' behandelen, zei hij, zoals je een maagd behandelt. Vat u hem (haar)?

Dat doen we dus boven op de Izoard (2360 mtr) ook. Opnieuw bijna uitsluitend motorrijders en wielrenners. We genieten van de koffie en de lunch. Dan staat er vlak voor ons ineens een auto met NL-kenteken. Als ze uitstappen begroet ik hen en voor het eerst in de tijd dat we hier in de Alpen zijn spreken we Nederlanders (die morgen hebben we ook pas voor het eerst een NL-camper gezien). We raken aan de praat, zetten opnieuw koffie (makkelijk uitnodigen met twee stoelen en twee krukken) en al weer blijkt dat hoewel je onbekend bent voor elkaar, er allerlei raakvlakken zijn en wederzijdse herinneringen. Wanneer nl. de naam Sliedrecht valt, valt er genoeg te bepraten. Voor mij de plek waar ik de eerste voetsporen in het ambt mocht zetten, voor hen hun woonplaats.
We dalen af. De andere kant blijkt qua natuur ineens totaal anders te zijn. Woest en ruig, met rotsformaties die aan de natuurparken in de VS doen denken. Ook hier staan we regelmatig te kijken. Dan rijden we door, de pas verder af, dorpen rijgen zich weer aaneen en de bebossing is weer sterk aanwezig.
Het laatste stuk tot aan Guillestre wringt de weg zich deels door nauwe kloven. Spectaculaire gedeelten met hoge overhellende rotswanden. Hier en daar is de weg te smal om elkaar te passeren. Diep onder ons zoekt het water in woeste stroomversnellingen en watervallen haar weg. De alpenroute vervolgend zouden we nu de Col de Vars moeten nemen, maar als alternatief voor deze route is aangegeven om te rijden via het stuwmeer Lac Serre Ponçon. Aan de overzijde van het meer is op een schiereiland de camping La Roustou, waar we twee nachten staan. Met de ACSI-kaart behoort deze tot de campings waar je in het voorseizoen voor 12 € kan staan. Hadden we die morgen nog maar de eerste NL-ers gezien, hier staan er in overvloed.

Direct aan het meer vinden we een plekje. Een eigen aanlegsteigertje voor de deur, waarop we 's avonds zitten. Vooral als de zon langzaam verdwijnt een ultieme belevenis. Stilaan wordt het donkerder. De contouren van de bergen tekenen zich scherp af. De wind gaat liggen en het wordt stiller. We zitten buiten te lezen aan de waterkant. Als het donker wordt leggen we de boeken even weg en kijken bij kaarslicht rond.



Elke avond vindt hetzelfde ritueel plaats: Rond en op dit meer zijn nogal wat meeuwen aanwezig. Je hoort ze de hele dag. En dan als de nacht komt en de sterrenbeelden zichtbaar worden, is het alsof alle meeuwen over dit hele gigantisch meer (Frankrijks grootste stuwmeer) hun laatste lied zingen. Als een koor zwelt het geluiud aan en het geroep is niet van de lucht. Een paar minuten gaat het door, dan zwakt het af, het wordt stil, een enkele uit de toon vallende meeuw laat zich nog horen, maar na nog eens vijf minuten hoor je niets meer. Behalve hier en daar een rollende dobbelsteen van yahtzeeënde vakantiegangers. En een krekel in de verte.

Overtreffende trap
Die maandagmorgen ontbijten we op ons stekje aan het meer. Dan maken we ons gereed verder te gaan. We zoeken de oostkant van het meer weer op. Even later komen we een merkwaardig natuurverschijnsel tegen. De "Demoisseles Coiffees", oftewel de gekapte juffers. Op een zachte onderlaag is een harde bovenlaag gekomen. Door erosie is de onderlaag weggespoeld, behalve onder een aantal vele tonnen wegende keien. Het gevolg is dat er merkwaardig gevormde pilaren zijn overgebleven. Als zuilen met kappen erbovenop staan daar een behoorlijk aantal van deze fenomenen. Wachtend tot de eerstvolgende pilaar bezwijken zal onder de geweldige druk van de rotsen.
We volgen de kustlijn van het stuwmeer op grote hoogte. Een prachtig meer met schitterende kleuren en mooie vergezichten. We menen 'even' om te rijden om bij de stuwdam zelf te komen. Maar dat valt goed tegen vanwege de lengte van de weg en omdat je niet op de dam mag komen. Wel is er een interessant uitzichtspunt van bovenaf. Overigens is het een aarden wal, onderaan 600 mtr breed en blijkbaar sterk genoeg om dit biljoenen kubieke meter waters bevattende meer de baas te blijven.
Dat boekjes overdrijven kunnen bleek weer eens toen we op advies van een reisgids de plaats Barcelonette bezochten. Vanwege relaties met Mexico zou deze stad een Mexicaanse sfeer uitstralen. Dat probeerde men in Barcelonette wel te bewerkstelligen, wat te merken was aan namen, artikelen en festiviteiten. Maar verder was het niet alsof je in Mexico was. Het viel tegen.


Dan gaat het op naar de Col de la Bonette. Die mag je niet gemist hebben! Een advies: zorg dat uw tank vol is, voorlopig vindt u na Barcelonette geen tankstations meer. We dachten aanvankelijk dat Col d'Iseran de hoogste pas op deze route was, maar nu bleek dat het nog hoger ging. Met 2802m zelfs de hoogste pas van Europa! Vanuit Jausiers beginnen we de tocht. Al direct krijgt u links een sprookjesachtig slot te zien, volledig wit gebouwd. Het is het best herkenbare beeld van de geschiedenis met Mexico vanuit dit dorp samen met buurgemeente Barcelonette. Slingerend door bossen en dorpjes wordt het landschap langzaam opener. Rond 2000m verdwijnen de bossen. We gaan hoger en hoger. Om de haverklap staan we stil om de uitzichten in ons op te nemen. Resten van militaire forten zijn hier te vinden, waarmee men destijds Frankrijk verdedigde. Het is aan de militairen te danken dat deze indrukwekkende pas ontstaan is en voor het toerisme beschikbaar is gemaakt. Deze pas slaat wel alles qua natuurschoon. Vooral boven de 2500m is ze adembenemend. Wat vooral opvalt is ook de weidsheid. Niet een paar slingerbochten steil tegen de berg op en je bent boven. Nee dit keer lange wegen die af en toe vrij weinig stijgen voeren je door oneindige Alpen en brengen je steeds hoger.
Bij een ijsmeertje houden we een koffiepauze. Met de voeten in het ijskoude meer laten we alle beelden op ons inwerken. We zijn niet de enigen. Hier neem je de tijd.



Overal wisselende kleuren, zowel van de ontluikende natuur ,daar waar de sneeuw verdwenen is, als van de rotsen die telkens weer anders zijn. Foto's geven maar een fractie weer van de indrukken die het geheel op je maakt. Als we later enkele lage passen berijden die alleen maar door bossen voeren valt ons op hoe weinig daar eigenlijk te zien is. Van dit genieten krijg je niet genoeg.
Het laatste deel is een soort lus die je ook kunt overslaan. Deze lus is onderbroken vanwege werkzaamheden. Je moet op het hoogste punt daarom keren. Volgens anderen is dat bijna niet te doen met de camper. We gaan te voet naar het hoogste punt verder, zo kijken we het andere dal in. En al wandelend ontdek je nog meer de details. Stoere wielrijders zwoegen zich zwetend omhoog. Toch zijn er meerderen die het niet in een keer halen. Een zagen we op ong. 2500m hoogte al lopen. Het was hem kennelijk teveel geworden.
Op de 2802m aangekomen staat er dit keer slechts een eenvoudig gedenkteken, ter herinnering aan de uitbouw van de pas. Verder geen gebouwen of grote brede plaatsen om te parkeren. Inderdaad een lus rond de top. De lucht is ijl. Bij het lopen (vooral naar boven) merk je dit goed. Af en toe gaat het langs drie meter hoge sneeuwmuren. Die zijn met name ontstaan door het ruimen van de weg. Als laatsten smelten ze nu weg. Bij deze temperaturen (ook boven is het meer dan 20 graden) gaat dat hard.




De passen van deze route zijn allen toeristische routes. Dat betekent dat er weinig ander verkeer is. Daardoor zijn ze voortdurend heel rustig. Maar het houdt wel in dat je voortdurend geconcentreerd moeten, want om elke bocht die je niet kunt overzien kan zomaar een tegenligger komen. Vooral de dalende wielrenners en motorrijders zitten soms gevaarlijk dicht tegen de middenstreep aan. Het berijden van deze passen geeft ook iets van verbondenheid met de overige (weinige) deelnemers. Of het nu op de fiets, met de motor, in de auto of de camper is. Iedereen houdt rekening met elkaar. Je merkt het wel als mensen soms wat bang zijn uitgevallen. Velen rijden vaker op het midden van de weg, wanneer ze langs de dalen moeten rijden.
Omdat deze pas je naar ijzingwekkende hoogten voert wordt regelmatig via borden gewaarschuwd om voorzichtig te blijven en vooral beleefd. Met name wanneer tegenliggers elkaar op nauwe stukken tegenkomen wil het nog wel eens even moeizaam gaan. Die aan de buitenzijde rijdt durft meestal niet nog meer naar kant van de afgrond te gaan. Het is al zo eng.


Gesneuveld
Dan gaan we dalen. Het duurt 26 km. voor we een beetje beneden zijn (nou ja, dan zitten we nog op 1144mtr). Aanvankelijk weer lange wegen die langzaam dalen langs vele bergruggen, maar dan ineens een serpentine van wegen zodat we veel sneller gaan dalen. Dat deze pas van militaire oorsprong is, merken we telkens weer. Op de reis naar boven kwamen we al forten en resten ervan bezig. Ook waren er nu nog militairen aan het oefenen. Deels in witte pakken zodat ze in de sneeuw niet zouden opvallen. op de weg naar beneden zien we opnieuw enkele forten en passeren we een monument waar in 1934 een generaal door de bliksem gedood werd. Ook komen we een een totaal verlaten dorp tegen, volgens ons is dit een oefendorp voor de militairen.

Inmiddels tikt de klok ook verder.
Omdat het te laat is nog eten te koken zoeken we in St. Etienne-de-Tinée een restaurantje op. Bij de camping zijn staanplaatsen voor campers, maar die zijn allen vol. Wij gaan een dorpje terug en hebben daar een afgelegen plekje voor ons alleen. Met voorzieningen!
Bij het wegrijden de volgende morgen hebben we minder geluk. Bij het achterruitrijden zie ik een paal over het hoofd. Daardoor is een achterlicht kapot en een wiel van de fiets verbogen. Balen natuurlijk, maar aan de camper zelf is er niets te zijn. We voegen dit maar toe aan het lijstje pechgevallen waarop al twee gesneuvelde batterijopladers prijken. Dit omdat - daar kwamen we pas na de tweede kapotte oplader achter - de spanningsomvormer een te hoge spanning afgeeft. En uiteraard de bergschoen.
Het herinnert me aan een vakantie vele jaren geleden die we zelf een B-vakantie noemden: bril kapot, broek kapot, benzinedop kwijt, boete, band lek en nog wat van zulke dingen. Toen ik dat eens zat te vertellen zei een ander: en aan het eind Blut. Maar ga eens goed na in je leven? Zulke dingen gebeuren in feite elke dag. Wanneer je het bij zou houden krijg je heel wat van zulke lijstjes. Echter vallen ze meer op in vakanties, omdat je dan het gevoel hebt dat alles goed moet zijn. Terwijl we blijven leven in een gebroken wereld. Dat verandert niet doordat we op vakantie gaan. Overigens zien onze gelukslijstjes er meestal langer uit. Die maken we echter niet altijd op.
Vanuit St. Dalmas zijn we van plan de route verder te gaan, maar zoeken we eerst een heerlijk plekje aan het water. Gisteren op de col hebben we veel van dergelijke plekjes gezien, maar toen wilden we die pas eerst afmaken, omdat het anders te laat zou worden. Hoe ver we nu ook gaan afdalen, we komen nooit meer zulke leuke plekjes tegen. Integendeel, de hele route lang langs de Tinée (zo heet de rivier vanaf deze pas) is alles ontoegankelijk of afgezet. Heel de omgeving is trouwens totaal verschillend van die aan de andere kant. Het lijkt erop dat we het echte ruwe Alpenlandschap gaan verlaten. De bergen zijn veel meer bebost en het is a.h.w. een lang dal met steile bergen aan weerszijden. Zo zijn we 55km na de top van de Col aangekomen op 690 mtr. Een lange, langzame daling.
Het gedeelte tussen St. Sauveur-sur-Tinée en de splitsing naar de Colmiane (zo heet de volgende pas op de route) is ontzettend mooi. Ruwe rotswanden van een dieprode kleur zoals ik nog nooit gezien heb, steil omhooggaand, uitgehouwen rotsen om langs te kunnen rijden. Bij de splitsing kijken we nog diep naar beneden naar de weg die direct naar Nice leidt. Dan maken we een onmogelijke bocht naar links (na een keer te steken) en gaan opnieuw steil omhoog. We maken de route van de passen helemaal af. Hoewel we eerlijk moeten zeggen dat deze laatste passen het niet gaan halen bij de vorige. Nergens komen we meer boven de boomgrens. Kennelijk zijn we gewend geraakt en verwend door deze stille hoogten, waar de ijle lucht en soms harde wind het tot een aparte wereld maken. Waar je eindeloze vergezichten hebt en telkens weer nieuwe toppen ontdekt. Waar we gewend zijn aan de wereld van het alleen zijn met de bergmarmotten.

Einde in zicht
Via de Col St. Martin, of La Colmiane zoals ze genoemd wordt, en de Col de Turini komen we steeds zuidelijker. Het zijn passen met zoals gezegd voornamelijk bos, vele bochten, maar ook diepe kloven, prachtige doorkijkjes en interessante plekjes om te stoppen. Of zomaar op een terrasje in een dorpje een cappucino te drinken. Of een poosje aan dit verslag te schrijven. We eindigen de dag in Sospel. Nog maar een kilometer of 15 van de kust. Het einde bijna bereikt. We zoeken de camping Municipal op, omdat er geen camperplek te vinden is. De camping is nog gesloten, maar met verschillende campers staan we er gewoon. En kennelijk is dit gebruik. Electriciteit en water is aanwezig. Dus een plek om van hieruit morgen Sospel nog eens verder te bekijken. Voorlopig staan we weer even rustig. Als het donker wordt zingt nog een nachtegaal, roept de uil en dansen even later de vuurvliegjes. En de kikkers kwaken, maar dat klinkt volgens Ada zo vreemd, dat ze volgens haar in het Frans kwaken.
En zo weer een rustdag, een dag van dwalen door het stadje en luieren op de camping. Zomaar rondkijken, de plaatselijke bevolking zien, de mannetjes die op hun vaste plekjes elkaar ontmoeten en in de schaduw praten. De verkoper in die bomvolle winkel waar alles te koop is, die voor ons even een vliegenmepper pakt. De vrouwen die boodschappen doen. Zomaar.



Dan komt het laatste stuk, maar dat is met zo'n 22km niet veel meer. En qua pas stelt het niet veel voor. De Col de Castillion is met 707m de laagste die we gereden hebben. Maar van die 700m moet het dan wel naar het zeespiegel niveau toe. Als we al bochtend draaiend naar beneden gaan zien we ineens de zee in de verte. Bereikt! De Route Des Grandes Alpes is voorbij. Even later staan we in Menton aan de zee. Terugdenkend aan die stilten daarboven.

En dat laatste is inderdaad realiteit. Want hier midden in de stad, op 1km van de Italiaanse grens lijkt het ineens wel een gekkenhuis. Het verkeer (en met name motoren en scooters) scheurt over de boulevard, alles is druk, heet en vol. Met moeite vinden we een parkeerplek, maar eigenlijk mogen we er niet eens staan omdat - zien we later - het voor campers verboden is. We waren al gewaarschuwd: de kust is camperonvriendelijk. en dat blijkt. Als we een poosje later verder gaan, rijden we via de kustweg. Schitterende uitzichten komen we tegen. Maar nergens is plaats even te stoppen. We komen in Monaco, willen een bezoek aan de stad brengen, rijden rond, maar alles is vol. We rijden zoekend rond, midden in het immens drukke verkeer. En nergens even plek om zelfs maar op een kaart te kijken. je moet rijden om het verkeer niet op te houden. De hele stad en infrastructuur is ook zodanig rond de rots van Monaco gebouwd dat er ook weinig plek meer voor wat anders is. Elke vierkante centimeter is benut.
Monaco is het paradijs voor de miljonairs. Dat is aan alle kanten te zien. Te merken aan wat we zien aan gebouwen, aan jachten in de havens, aan mensen en auto's. Zien en gezien worden. Ik heb het gevoel dat ik me moet schamen met zo'n kleine camper rond te rijden. Hoe durf je! Hier is alles groots en duur, glimmend en stralend. Hier is de luxe heel gewoon, overdadige luxe.
Als we even later in St-Jean-Cap-Ferrat toch een plekje vinden (mocht eigenlijk ook niet merkten we later, het hele schiereiland was verboden voor campers, maar we waren het bord al voorbij voor we er erg in hadden) lopen we ook hier wat rond in de jachtaven. We denken er over maar eens een jacht te huren voor een weekje vakantie op de Middellandse Zee:=) Wat denkt u van de prijs? 89.000€ per week! Nou ja, in het hoogseizoen dan. In het voorseizoen zelfs 10.000 goedkoper. OK, het kan iets minder, maar 50 tot 60.000 daar moet u toch wel van uit gaan.
Dit klinkt me als ongelooflijk in de oren. Is het mogelijk dat er zoveel (ja, kijk de haven maar rond) verkwistende rijkdom is?
Natuurlijk weet je dat wel, dat het bestaat. je ziet en hoort er vaak genoeg van. Maar er ineens midden in te zitten geeft je een onbehaaglijk gevoel. Is het ethisch verantwoord dat een deel van de mensheid in zoveel overdadige weelde leeft terwijl zovele anderen in bittere armoede moeten ploeteren? De vaak gestelde vragen. Waar je telkens weer de verwachte antwoorden op krijgt. Ja maar, die superrijken hebben er toch voor gewerkt? Inderdaad, maar dat geldt zeker niet voor iedereen. Net zo goed als je de pech kunt hebben in een armoedig bestaan ter wereld te komen kun je het geluk hebben in een kasteel van een huis je speelkamer te mogen bezitten. En het rijden in Jaquar of Rolls Royce kan je met de paplepel ingegeven zijn net zo goed als het op blote voeten moeten bedelen. Enfin over dit onderwerp kan nog veel gezegd worden. De vraag kan mij gesteld worden waarom ik dan deze streek opzoek. Inderdaad, misschien om in die wereld even onder te gaan en te zien hoeveel daar eigen eer en roem aan alle kanten naar buiten steekt. Hoewel, dat geldt natuurlijk niet allen. Net zo min als niet alle bedelaars echte armen zijn, maar profiteurs kunnen zijn. Maar wel een reden om op verantwoorde wijze om te gaan met de gaven die God ons in de schepping geeft.
De komende dagen brengen we wat door aan en langs de zuidkust en in de Camarque. De bedoeling is dat we daarna de Route Napoleon nemen voor de terugreis. Maar ook daar nemen we de tijd voor. Vlak onder St. Tropez (in de plaats zelf komen we niet) staan we op een grote camperplek in Ramatuelle. We horen dat in deze omgeving nogal wat bekende NL-ers hun optrekje hebben of zich vertonen. Rik Felderhof, Jean des Bouvrie, Joop Braakhekke. Mijn vrouw dacht hem gezien te hebben komend vanaf een tennisplaats. Het zal allemaal waar zijn, het was ook een plek voor gewone burgers.
Top - naar week 3